Buenos Aires 22
Op 6 juni 1952 waren alle passagiers aan boord, het lag de Alnati gereed voor vertrek.
Een paar sleepboten trokken ons van de wal en sleepten het schip uit de Lekhaven naar de Maas om vervolgens de sleeptrossen los te gooien, we konden op eigen kracht richting de Waterweg varen.
Het was `s middags een uur of vier, het was een prachtige dag, geen vuiltje aan de lucht, we voeren langs Schiedam, Vlaardingen kwam in zicht, we passeerden we Maassluis.
Een paar mijl voorbij Maassluis ging het mis, ik was bezig in de pantry en hoorde een paar korte stoten op onze stoomfluit, de machines werden op halve kracht teruggebracht.
Ik stapte uit de pantry aan dek en zag een kuster dwars in de Waterweg liggen in het vaarwater van de Alnati, waarschijnlijk was die kuster uit zijn roer gelopen door machinepech.
De Alnati draaide naar stuurboord maar kwam te dicht onder de wal, er werd commando gegeven volle kracht achteruit maar het schip had te veel snelheid met gevolg dat de kapitein het anker liet vallen.
Het anker sleepte over de bodem, de Alnati dreigde ook dwars in de Waterweg te belanden maar door tegenwoordigheid van de kapitein door het roer hard bakboord te geven en volle kracht vooruit was erger voorkomen, de kuster werd op een haar na gemist.
Het anker werd weer in het kluisgat getrokken en geborgd, de Alnati zette zijn reis voort, na verloop van enige tijd waren we op de Noordzee.
De passagiers hadden net hun avondeten gehad, ik moest in de pantry helpen afwassen en dat was een hele partij.
Gelukkig hoefde ik dat niet iedere dag te doen omdat mijn maatjes Sjaak en Arie in toerbeurt ook moesten afwassen.
Ik hielp in de pantry mee met schotels opmaken en drankjes inschenken die de salonbediendes besteld kregen.
Om ongeveer zeven uur was het werk gedaan en konden we naar onze verblijven gaan, dan probeerden we het zo gezellig mogelijk te maken.
Dan deed mijn gitaar toch wonderen, ik ken natuurlijk heel wat populaire liedjes en eigengemaakte schuine liedjes met gevolg dat onze hut bijna elke avond barstens vol was met mensen die een beetje gezelligheid zochten.
Arie van Munster die kon heel verdienstelijk La Mamma zingen in de Nederlandse taal, dan zat iedereen ontroerd te luisteren.
De volgende ochtend was het voor ons om halfzeven overal, ik moest dan naar de pantry om de pantrybaas mee te helpen met het ontbijt dat om acht uur gereed moest zijn.
Na achten kon ik even gemist worden om zelf in de messroom te ontbijten, om half negen weer naar de pantry om te assisteren met de opgenomen bestellingen van de salonbediendes om daarna heel de handel af te wassen met behulp van Arie of Jopie.
Als dat gebeurd was kregen we de opdracht van de tweede hofmeester de gangen te dweilen, de hutten van de eerste hofmeester en de tweede hofmeester schoon te maken.
Om elf uur weer naar de pantry voor de schotels op te maken voor het diner wat erg leerzaam was.
Gemiddeld waren er een vijftig passagiers aan boord dus er werd heel wat servies gebruikt en dat moest allemaal schoon.
Om half een kon ik weer even gemist worden om zelf te eten, dan werd ik door Sjaak bediend.
Na de maaltijd weer naar boven voor de afwas met Jopie of Arie.
Om drie uur was het pikheet, daarna moest ik mij melden in de wasserij, ik had tot taak om het gewassen goed te centrifugeren en dan te mangelen.
De lakens werden op een bepaalde manier gevouwen, je kreeg daar op ten duur een bepaalde handigheid in.
Als het werk in de wasserij gebeurd was had ik nog even de gelegenheid om te eten om daarna weer naar de pantry te gaan voor assistentie tot ongeveer zeven uur.
Dat was zo`n beetje mijn dagindeling, weinig up en downs maar wel rustig en afwisselend
werk.
De Alnati voer met een gestadige regelmaat over de golven en deinde in een aangenaam ritme en daar was het mooie weer debet aan.
Hoe zuidelijker we kwamen des te warmer werd het, het zonnedek was elke dag bezet met passagiers, het zwembad werd opgezet op het luikhoofd van ruim drie, dat was een buizenstelsel waar men een zeildoek in opgespannen had, dat liet men dan vollopen met zeewater.
Na een grote week varen liep de Alnati de haven van Las Palmas binnen om te bunkeren, niemand kreeg toestemming om de wal op te gaan.
Na een halve dag was het weer voor en achter om de oversteek te maken naar Rio de Janeiro waar ik vol verwachting naar uitkeek.
Op twee juli 1952 passeerden we de evenaar en natuurlijk op een schip als de Alnati kwam Neptunus aan boord met zijn gevolg allemaal gekleed in slierten touw en iedereen die voor het eerst de Evenaar passeerde moest gedoopt worden tot vermaak van de passagiers.
Wij werden verplicht gedoopt maar de passagiers op vrijwilliger basis, je werd naar de troon van Neptunus gesleept door zijn helpers, we kregen tevoren opdracht om tegen te stribbelen en eventueel te vluchten vervolgens weg te kruipen liefst in het zicht van de passagiers.
Ik vluchtte de achtermast in maar daar kwam ik gauw achter, ze hadden me zo te pakken en werd naar Neptunus gesleept en die was heel boos.
Hij vroeg waarom ik vluchtte en foeterde me uit dat Hij Neptunus God van de zee het behaagt om mij een doop te geven anders dan alle andere en dat ik de naam van Haai moest aannemen en gaf toen een opdracht aan zijn ondergeschikten om mij te dopen.
Ze pakten mij beet en werd in een schandpaal gezet, besmeerd met een vieze drab, vervolgens propte ze in mijn mond vissenkoppen en staarten die de kok speciaal bewaard had voor deze gelegenheid.
Er werd weer van dat vieze spul over mij heen gegooid en aan mijn lot overgelaten tot iedereen gedoopt was.
Ik werd bevrijd uit de schandpaal en werd met vier helpers het zwembad in gejonast met begeleiding van een groot applaus van de passagiers.
Het water was erg vies geworden van al mijn voorgangers die erin gegooid waren.
Na een paar dagen kwam er land in zicht, ik associeerde me een beetje met Columbus en verder op de dag voeren we de baai van Rio de Janeiro binnen.
Onze volgende haven was Santos, de haven waar het meeste amusement was voor de zeeman, er waren vele havenkroegen, wat voor ons de bekendste was de nachtkroeg Casablanca met elke avond een rumbaorkest die de nieuwste muziek speelde zoals Mambo nr 5 van Perez Prado enz.
Na een paar dagen vertrokken we naar Buenos Aires en voeren op 28 juli 1952 de Rio de la Plata op en koersten naar de haven van Buenos Aires.
We kwamen in een buitenhaven te liggen, het was onwezenlijk stil in de haven tot we het bericht kregen dat de echtgenote Evita van President Peron was overleden.
Alles lag stil in de haven er werd dus niet gewerkt zelfs de taxi`s voor de passagiers reden niet en die moesten op een andere manier in de stad komen.
Er werd ergens een bus georganiseerd en daarmee kwamen ze toch met hun bagage van boord. Er waren er niet zoveel omdat er in Rio en Santos al van boord waren gegaan.
Wij wilden natuurlijk ook van boord om te passagieren maar moesten dus lopen naar de stad en dat was een paar kilometer maar dat vonden we niet erg maar was teleurstellend omdat alle kroegen en winkels gesloten waren door het overlijden van Evita.
We liepen weer vroeg in de avond terug naar de Alnati om het daar maar weer gezellig te maken en dan is mijn gitaar onontbeerlijk.
Na een paar dagen kregen te horen van mensen die kwamen bedelen om eten omdat er niets te krijgen was in de stad, dat Evita was opgebaard op het bekende plein Playa de Mayo.
Op een avond zijn we er naar toe gelopen, het leek of iedereen op straat was, hoe dichter we bij het plein kwamen des te drukker werd het.
Bij het plein aan gekomen stonden daar drommen mensen te huilen als kleine kinderen, Evita Peron lag in een kist opgebaard voor het bordes van een groot gebouw, op dat bordes lagen bergen bloemen, ik heb nog nooit zoveel bloemen gezien.
Dat gebeuren heeft een grote indruk op mij gemaakt, ik was ontroerd en begaan met die mensen die zo intens rouwden.
We zijn terug naar boord gegaan omdat we ons niet op ons gemak voelden in die situatie met al die rouwende mensen.
De volgende dag kwamen er weer mensen bedelen, een mevrouw en een man had een zak bij zich met allerlei schoonmaakmiddelen oa. een pakket met honderd stukken palmolive zeep, die heb ik geruild voor restanten eten uit de pantry.
Cees van Yperen